In 2012 maakte de voormalige Britse politicus Michael Portillo voor de BBC de serie Great Continental Railway Journeys, nadat hij eerder al een aantal series in Groot-Brittannië had gemaakt. Als een soort dorpspastoor reisde hij met een bijbel onder z’n arm per trein door Europa. Deze ‘bijbel’ was Bradshaw’s Continental Railway Guide, afgekort ‘de Bradshaw’. Aan de hand van deze reisgids uit 1913 reisde Portillo honderd jaar later door het Europa van vlak voor de eerste wereldoorlog, een fascinerende serie.

In 1841 verscheen van de hand van De Engelse cartograaf George Bradshaw een eerste gids van 8 pagina’s met verzamelde dienstregelingen van de spoorwegen. In de loop der jaren groeide dit uit tot diverse vuistdikke reisgidsen. Een originele Bradshaw is antiquarisch nog wel verkrijgbaar, maar daarvoor moet je diep in de buidel tasten. Gelukkig verscheen enkele jaren geleden een facsimile uitgave van de continentale reisgids uit 1913, zodat ik me – met dank aan Karen – sinds enige tijd de eigenaar van een Bradshaw mag noemen.


Naast de Bradshaw staan in mijn boekenkast een aantal Baedekers; reisgidsen van tijdgenoot Karl Baedeker uit Duitsland. Deze reisgidsen zijn gelukkig iets betaalbaarder. Via marktplaats of eBay heb je soms voor een of twee tientjes al een gaaf origineel exemplaar mét de prachtige uitklapbare kaarten.

George Bradshaw werd geboren in 1800, Karl Baedeker een jaar later. Ze groeiden op in een tijd dat er nog  geen gemotoriseerd verkeer was en toerisme een nog nagenoeg onbekend fenomeen was. Tijdens hun leven maakten zij de komst van de trein mee. Een belangrijke ontwikkeling, want door een betere mogelijkheid om zich te verplaatsen, ontstond de opkomst van het toerisme. Met hun reisgidsen, voornamelijk gebruikt door rijke Britten, hebben ze daar een belangrijke bijdragen aan geleverd. 

Hun reisgidsen zijn ook ver na hun dood onder hun naam uitgegeven; de Bradshaw tot 1979, terwijl de Baedeker reisgidsen nog altijd onder deze naam worden uitgegeven.
 

Ook over Zwitserland is er in hun gidsen een hoop te vinden, zo ook over ons vakantiedorp Ulrichen in Goms (Wallis), aan de voet van de Nufenen- en Griespass. Natuurlijk ga ik niet als Portillo met zo’n boekwerk van meer duizend pagina’s onder m’n arm over straat… Die Zwitsers zien me aankomen! Hoewel er niks boven zo’n papieren reisgids gaat, ben ik blij dat er tegenwoordig via internet prachtige gedigitaliseerde exemplaren te vinden, gratis en volledig legaal uiteraard!

De gidsen staan boordevol dienstregelingen, toeristische bezienswaardigheden, gedetailleerde informatie over de dorpen, de inwoners, het aantal kerken, overnachtingsmogelijkheden en prijzen van gidsen. De gidsen zijn zo gedetailleerd dat een Duitse generaal in de tweede wereldoorlog op basis van een dergelijke gids een inval in Noorwegen kon plannen…

Maar terug naar Ulrichen. In Bradshaw’s Pedestrian Route-book for Switzerland uit 1870 wordt de sfeer in dit deel van Wallis streng en melancholisch genoemd. Het leven was hier toen ook eenvoudig en hard. Niet Ulrichen was het centrum van waaruit de tochten over de passen vertrokken, maar het iets verderop gelegen dorp Obergesteln. Dit dorp was uitgangspunt voor overnachtingen en tochten over de passen. Door de komst van de spoor- en autowegen is Obergesteln tegenwoordig een rustig dorpje dat vooral gekenmerkt wordt door het verkeer (vooral motoren) dat er doorheen raast op weg naar de autotrein in het verderop gelegen Oberwald.


Ook ten tijde van mijn Baedeker uit 1881 was de autoweg over de Nufenenpass er nog niet. Wel wordt Ulrichen dan genoemd als uitgangspunt voor een tocht over de pas. Volgens De reisgids was de tocht over de Nufenenpass een “uninteresting bridle path”, waarvoor de begeleiding van een gids noodzakelijk was. Deze kon voor 12 franc worden gehuurd, de huur van een paard kostte nog eens 25 Zwitserse francs extra. Ik weet niet wat dat omgerekend is naar de huidige valuta, maar goedkoop zal het niet geweest zijn, zoals dat in dit land nog steeds niet het geval is…


Wel leuk dat de brug over de Rotten (zoals de Rhône hier wordt genoemd) en de onbewoonde houten hutten worden genoemd. Deze staan er nog steeds, samen met de oude kapel langs de oude handelsweg bij “Im Loch”.


Vorige week hebben we de tocht naar de Nufenenpass zelf gemaakt in een comfortabele autobus. ‘Uninteresting’ was het allerminst. Via een spectaculaire weg vol haarspeldbochten slingert de bus steeds hoger en hoger. 


Het uitzicht is adembenemend en bij helder weer kun je zelfs de Aletschgletsjer zien liggen. In een klein half uurtje rij je naar de pashoogte, alwaar je 20 minuten de tijd krijgt om de plaatselijke middenstand te spekken in de vorm van diverse souvenirstalletjes en een restaurant, alvorens de tocht naar Airolo in het Italiaanstalige deel van Zwitserland wordt voortgezet. Een tocht, die per persoon 40 Zwitserse francs kost, zo’n 35 euro en dat is best aan de prijs, ook naar de huidige maatstaven!


Tegenwoordig is nagenoeg alle informatie over iedere uithoek in de wereld via internet te vinden. Maar nergens is de informatie zo compleet, uitgebreid en betrouwbaar als in de oude reisgidsen van mijn 19de eeuwse reisgenoten Bradshaw en Baedeker…